‘verhaalzwanger’ – een definitie

Het begint met een dans. Met een tango, om precies te zijn. Dagenlang draaien jij en de tafel om elkaar heen in een spel van aantrekken en afstoten. Je gaat zitten, alleen maar om na een paar minuten terug op te staan en van de tafel weg te lopen. Je pakt je pen op, legt hem weer neer.

Of eigenlijk begint het daarvoor, vlak of al lang daarvoor geleden. Het begint met de bevruchting. Je zag iets, maakte iets mee, hoorde van spreken of kwam zelf zomaar op een idee. En iedere keer is anders. Het dragen van ieder verhaal voelt anders, als de eerste keer. Je weet nog niet welke vorm het deze keer zal hebben wanneer het eenmaal het daglicht ziet. Je weet nog niet of het groot of klein zal zijn, lang of kort. Of het grappig en speels zal zijn of eerder log en ernstig – je kunt hoogstens iets vermoeden op basis van je eigen aard en karakter. Alles dat je zeker weet is dát het geboren zal worden.

Na de bevruchting begint dus het gedraai rond die tafel. Dat onrustige, verlegen gefriemel kan eindeloos duren, soms wel jaren. Getrainde schrijvers weten dit onhandige gehups, deze inefficiënte paringsdans, deze periode van ogenschijnlijk eindeloos geflirt aanzienlijk in te korten en compromitteren zich vanaf het allereerste moment. Jonge schrijvers zijn echter nog veroordeeld tot de grillen van het proces. En dan zijn er natuurlijk nog honderden, zo niet duizenden verschillende soorten schrijvers: zoveel als er moeders zijn. Er zijn moeders die het kind met ijzeren hand opvoeden, er zijn mama’s die geloven in de intrinsieke goedheid van het kind. Zo ook zijn er zijn schrijvers die hun wil aan het idee opleggen, tegenover schrijvers die zich aan het idee onderwerpen. 

En dan begint het pas echt. Dat de dans voorbij is, betekent namelijk nog niet dat het reeds bevruchte eitje is ingedaald. Het kan soms jaren duren voordat alles op z’n plaats valt. Andere keren duurt het nog geen week. Pas vanaf het moment dat het zaadje is geplant, kan het verhaal beginnen groeien. 

Dan begint dus het broedproces. Deze periode is voor de meeste verhaalmoeders een hel waar je doorheen moet – onredelijke prikkelbaarheid en spanningen met meer of minder steunende huisgenoten incluis. Voor de een is het een buitenbaarmoederlijk proces, bij de ander krijgt alles vorm van binnen voordat het verhaal zich een weg naar buiten wurmt. Broeden is een fulltime job: er gaan uren voorbij dat je languit in de zetel ligt, of zomaar wat zit te lezen. Over het algemeen geldt dat je vooral met rust gelaten moet worden en ook dat je op geregelde tijden moet opstaan om jezelf te voeden. Soms doe je dagen aan een stuk niets anders dan naar je scherm staren, terwijl je je levendig de geboorte voorstelt. Dit alles geldt als mentale voorbereiding op wat gaat komen. Ook maak je je alvast klaar voor wat na de geboorte allemaal zal moeten gebeuren. En wat je misschien nog wel het meest kribbig maakt, is dat je weet dat het zwaar gaat zijn, maar óók dat het er vroeg of laat, linksom of rechtsom, van boven of van onder, zeker en onomkeerbaar uit moet. Je weet: het is onvermijdelijk. Je weet ook: dat kan nog wel eens moeilijk worden.

Met iedere dag dat het verhaal op zich laat wachten, neemt de druk op je buik toe. Iedere dag denk je: zou het vandaag? Dan wrijf je peinzend over de plek waar het zo onheilspellend rommelt, waar het met de dag harder dondert en borrelt van het leven. Je wacht. En je wacht. Je wacht nog langer. En nóg een dag. Je wacht en wacht en wacht en wacht… 

Totdat plots iets in je breekt, het knápt, en het rusteloze getrommel van je vingers op het tafelblad verplaatst zich als vanzelf naar de toetsen van je laptop en het is niet meer te houden, je laat je meevoeren, op het getokkel, in een trance, op de ritmische cadans van de woorden die uit je vingers, uit je aderen, uit de krochten van je verbeelding vloeien. En je denkt, je denkt nog amper: ja. Ja, vandaag.

Een gedachte over “‘verhaalzwanger’ – een definitie”

Geef een reactie op Wim Staat Reactie annuleren