“Je moet gewoon boink denken,” zei mijn vader. “En dan moet je snel iets anders gaan doen.” Simpel als het klinkt, de man had gelijk. Binnen de kortste keren was ik van mijn dwanggedrag genezen, iets dat al die vijf of zes verschillende psychiaters en psychologen met hun eindeloze geleuter over g-schema’s, rond-de-tafelgesprekken na het avondeten en kalmeringsdruppels met zogenaamde zwartebessensmaak nog niet was gelukt. Achteraf denk ik dat hij weet waar hij het over had. Had hij ooit hetzelfde gedaan? Had hij ooit zelf ook zijn gedachten moeten afbreken, omdat ze een loopje met hem namen? Had dat magische woord niet alleen mij, maar ook hém voor een noodlottig einde behoed?
Wanneer ik aan hem denk zie ik een eigenwijze, eigengereide figuur met een dijk van van een ego. Hij is een soort boom, eentje van het stevige soort. Een eik misschien, of een kastanje. En aan zijn bast en takken groeien schaduwplanten, allerhande hangers en klimmers die zich aan hem optrekken. Sterk en onverzettelijk. Hij beweegt geen cen.ti.me.ter.
Maar de laatste tijd verandert dat beeld, het begint af te brokkelen. Het wordt troebeler, de contouren waziger, minder scherp langs de randen, vloeibaar bijna. Alsof iemand het ventiel heeft losgedraaid waardoor het langzaam, maar zeker, in elkaar begint te zakken. De boom wordt kleiner, zachter. Wanneer je er een duwtje tegen geeft, blijft er een deukje achter. En de boom leunt een beetje naar je toe terwijl je dat doet, dreigt soms zelfs te kapseizen (en daar schrik je dan natuurlijk heel hard van, zodat je je zo snel als je kunt uit de voeten maakt, wat je dan later weer betreurt). De ooit zo imposante boom wordt steeds meer mens – met alle gevolgen van dien.