Logeren in het vakantiehuis aan het meer van Genève, aan de Franse kant. En dan dammen bouwen die het kiezelstrand deden overlopen. Tussen de stenen op zoek te gaan naar mooie gladde, platte exemplaren en die dan met een heupworp naar de horizon gooien, alsof het water een sjoelbak was, en dat die steen dan twee, drie, vier, soms vijf, héél soms zes, en één keer zelfs zeven keer op het wateroppervlak stuiterde. Dat laatste kon alleen je oudste broer. Hij was ook de enige die al alleen op de paarse scooter mocht rijden die in de ondergrondse garage van het huis geparkeerd stond, terwijl de rest van jullie alleen maar achterop mocht meerijden met hem of je vader. Waarop je leerde om mee te bewegen in de bochten, totdat je vader zijn eigen regel eens vergat en op een rotonde – op weg naar de Hypermarché – uit de bocht vloog, de scooter total loss reed en zelf zijn sleutelbeen en ribben kneusde. En varen in de Zodiac, en dan om de beurt voorin de boot staan als een rodeo cowboy, met je handen om een touw dat aan de boeg was vastgebonden, terwijl je vader zo hard gas gaf dat de voorkant van de boot (“in plané papa, in plané!”) over het water stuiterde. De wind in je haren en dan zo hard als je kon Celine Dion zingen, want je was tenslotte in Frankrijk, en al begreep je niet waarover het precies ging omdat je nog niet zo goed Engels sprak, dit verstond je: “There were nights when the wind was so cool.” En de oranjeroze horizon tegemoet.