Opdracht: Bedenk een verhaal bij de foto (vanuit het belevend ik-perspectief).
Het is hier stuk kouder en voller dan ik me had voorgesteld. De vrouw die voor ons staat kijkt alsof de afgelopen uren in het water alle hoop van haar hebben afgespoeld. Papa’s gezicht zegt alarmerend weinig. Hij staat naast me, nog altijd in dezelfde tanktop die hij al draagt sinds we van huis zijn vertrokken, waarvan de zwarte stof intussen weer bijna helemaal is opgedroogd. Ik probeer zijn blik te volgen, maar kan niet ontdekken waar hij precies naar kijkt. Misschien ziet hij iets aan de binnenkant van zijn hoofd? Af en toe lijkt hij zich ineens iets te herinneren en dan kijkt hij opzij, misschien om er zeker van te zijn dat ik nog altijd naast hem sta. Dat ik niet plots ben verdwenen, zoals mijn broer toen. En zoals mama natuurlijk, daarvoor al, maar bij haar ben ik er niet helemaal zeker van dat papa of papa dat heel erg vond. Als hij ziet dat ik er nog ben, glijdt zijn blik weer af naar de duizenden of misschien wel miljoenen precies dezelfde tentjes die over het landschap liggen uitgespreid als een enorme, smoezelige lappendeken – waar hij dus niet écht naar kijkt.
Misschien heeft hij gewoon erge dorst, net als ik, van al het zoute water dat hij binnenkreeg toen we probeerden op de rubberboot te klimmen. Juist wanneer ik zijn grote hand wil vastpakken om het hem te vragen, komt de jonge mevrouw met de kaki-groene korte broek en de lange, bleke benen dichterbij. Ze draagt een grote koelbox op haar buik, die op z’n plek wordt gehouden door een hengsel rond haar beide schouders, en deelt met twee handen tegelijk flesjes water uit aan de mensen in de lange rij die maar héél traag vooruit gaat. Mijn oude schoolmeester had bij het zien van de rij vast uitgeroepen dat het ‘een rommeltje!’ was. En dat we beter ons best moesten doen als we ergens wilde geraken in het leven. En dat we een beetje haast moesten maken.
De vrouw kijkt heel ernstig, of in ieder geval een stuk minder gelukzalig dan de witte mensen op de foto’s die papa me een paar dagen voor ons vertrek op zijn smartphone aan me toonde. ‘We gaan een poosje op vakantie,’ had hij gezegd, terwijl hij langs afbeeldingen van witte zandstranden – versierd met kleurige parasolletjes en van die ligbedden met gestreepte, zeemanachtige stoffen – en een azuurblauwe zee scrolde. Papa zei dat het ons geheimpje was en dat ik aan niemand mocht vertellen dat we weg zouden gaan. Dat heb ik natuurlijk ook niet gedaan. Zelfs niet aan Assia – wat heel moeilijk was, want hartsvriendinnen vertellen elkaar alles. Maar ik kan een geheim bewaren.
Misschien heeft de vrouw het gewoon koud – ze draagt ook maar heel weinig kleren. Of misschien weet ze dat er niet genoeg water is. Er passen lang niet genoeg flesjes in de koelbox. De rij achter ons is nog héél erg lang. Oneindig, lijkt het wel. Zoals God – die heeft geen einde en geen begin, volgens papa. Ik snap niet goed hoe dat werkt, maar dat komt omdat mijn verstand wel grenzen heeft natuurlijk.
Hopelijk heeft de vrouw nog net genoeg flesjes om tot bij ons te komen. Ze moet nog langs twee halve gezinnen en drie jongemannen van Abduls leeftijd – moest hij er nog zijn geweest. De vrouw draagt geen hoofddoek, maar heeft haar donkere haren samengebonden in een piepklein staartje bovenop haar hoofd. Langs alle kanten proberen krullerige plukjes haar naar buiten te piepen en over haar schouder bungelt een geknoopt touwtje in de kleuren van de regenboog, met onderaan een kwastje, zoals je dat ook hebt aan tapijten. Ik denk aan de armbandjes we – Abdul, papa en ik – heel lang geleden kochten tijdens een vakantie aan zee. Mama verbleef een paar dagen bij haar nicht in de bergen en wij, ‘de drie musketiers’, gingen samen op avontuur. De boottocht van zojuist, dát had Abdul pas een avontuur gevonden.
Wanneer de jonge vrouw ons opmerkt, maakt de ernst op haar gezicht plots plaats voor een stralende glimlach. Het is alsof iemand de gordijntjes voor haar ogen aan de kant schuift en ineens de zon naar binnen stroomt. Papa glimlacht nu ook, voor het eerst sinds dagen. Of misschien zelfs wel voor het eerst sinds maanden. De vrouw zegt iets in het Engels, het klinkt als een vraag. Ze overhandigt papa een flesje water en mij geeft ze een knipoog en daarna vlug kneepje in mijn wang. Het doet geen zeer, integendeel. Wel gloeit mijn wang nog lang na.
Ze moet mijn hand hebben gezien, maar ze kijkt niet geschrokken. Sterker nog: ze kijkt nog net zo vriendelijk als ervoor. Zou ze het misschien al hebben gezien? Eerder al, toen ik de jas van haar aanpakte?
Ik ben heel blij met de jas die de jonge vrouw me aanreikte meteen nadat twee sterke, vreemde armen me uit de golven hadden getrokken en naar de kant hadden gedragen. Ze had het een ‘peddet parka’ genoemd en me met gebaren duidelijk gemaakt dat de jas me warm zou houden. Verder begreep ik maar weinig van wat ze zei, maar ze glimlachte erbij en daarom vond ik haar aardig. Volgens mama waren mensen zelden zomaar vriendelijk, maar haar stem – die ik naar mijn zin nog net iets te vaak in mijn hoofd hoorde – probeer ik zoveel mogelijk te negeren. Waarschijnlijk zei ze dat alleen maar om het zelf alvast zo weinig mogelijk te moeten zijn. Ik ben blij dat ze – nee, dat mag ik niet denken. Ik zal vanavond een gebed meer opzeggen dan gewoonlijk. God hebbe haar ziel.
De peddet parka is gemaakt van een glimmende stof, zoals de jurken die vrouwen in Hollywood-films dragen wanneer ze naar een feest gaan. Ik zal er natuurlijk nooit zo mooi uitzien als zij, met die rare hand van mij, maar gelukkig heeft de parka hele wijde, lange mouwen. Je moet de jas over het hoofd aantrekken, want er loopt geen rits voorlangs. Net zoals een jurk dus. Of een reddingsvest. De kleur van de stof doet denken aan de zee: zilvergroen, en bestaat uit allemaal kleine luchtkussentjes. Inderdaad een beetje als zo’n plastieken luchtbed waarmee je zo fijn kunt spelen als de zee niet te wild is.
Ik schiet in de lach om dat idee en wil aan papa vragen of hij ook vind dat ik eruitzie als een luchtbed. Een beetje zoals Spongebob, maar dan gemaakt van matras in plaats van spons. En ik wil de vrouw vragen van wie de jas hiervoor geweest is. Is dit wat kinderen in Europa dragen?
Maar de vrouw is alweer verdergelopen en papa’s gezicht is terug onleesbaar.