tinderdate

We zouden gaan wandelen, zoals dat het equivalent werd van een ‘drankje doen’ sinds het pandemisch tijdperk aanbrak (en, als je het mij vraagt, een van de weinige fijne dingen die we overhielden aan het hele debacle dat 2020 was en alles wat erna kwam). Misschien zouden we als het gezellig was alsnog wel op een of ander terras belanden. En misschien ook wanneer dat het niet was, gewoon omdat het weer kon.

Op nog zo’n vijf minuten wandelen van het Justitiepaleis – dat prachtige, megalomane waakbeest, dat regelrecht uit de fantasie van Piranesi lijkt te zijn ontsproten en wiens rol meer ceremonieel is dan dat ze daadwerkelijk over de stad waakt, simpelweg omdat niets tegen het onrecht in de straten kan beginnen, ingekapseld als ze ligt tussen stellingen – passeer ik een bushokje. Achter het glas schreeuwt een manshoge reclameposter in een bubblegum-achtig font dat hij me straks zal bellen. En vanavond. En morgen. En overmorgen. En volgende week. En… 

Ik lees niet meer dat hij dat alles voor slechts 19,99 euro per maand zal doen, want de haartjes op mijn armen komen als een wave overeind en komt het zweet met zwembaden tegelijk over mijn rug gestroomd (waarom moest en zou ik per se deze synthetische jurk aantrekken?). In de zakken van mijn plots veel te warme zomerjas zoeken mijn klamme vingers naar houvast. Ik diep de GSM op en zie: vijf ongelezen berichten en een gemiste oproep. Van mijn date.

Eerste bericht: hij ging mogelijk iets later zijn vanwege een pitstop bij de nachtwinkel. (Een roker?) Tweede bericht: of hij pintjes mee zou pakken? (Of eerder een alcoholist? Allebei misschien?) Derde bericht: of was ik eerder een wijnpersoon? (Een twijfelaar.) Vierde bericht: welke pintjes of welke kleur wijn ik dan het liefste had misschien? (Zeker weten: een twijfelkont.) Tot slot een foto van de pintjes die hij bij gebrek aan een antwoord dan maar had gekocht. (Te veel en alle verkeerde.)

Conclusie: in plaats van een date met mijn soulmate was ik op weg naar een rookverslaafde, té praatgrage alcoholist, een twijfelkont, iemand die geen keuzes kon maken – of nog erger: die altijd de meest noodlottige keuzes maakte – en die óók nog eens een slechte smaak had. Als hij echt dacht dat ik een Hoegaarden Rosé-meisje was, dan kon ik beter meteen rechtsomkeert maken.

Die conclusie hadden mijn benen blijkbaar ook al getrokken, want nu stuurden ze mijn lichaam resoluut in tegengestelde richting, terug het zebrapad op dat ik zojuist was overgestoken. Door alle red flags die door mijn kop klapperden zal ik het rode voetgangerslicht hebben gemist, want op nog geen drie centimeter voor mijn voeten komt een luid claxonnerende, bloedrode Renault Clio voorbij geraasd. Even instinctmatig als mijn lichaam zich eerder had omgedraaid, is nu haar val naar achteren. Languit over het asfalt, met mijn wang tegen het gloeiende asfalt, kan ik nog net de krullerige witte letters op de achterruit van de Clio in het verkeer zien verdwijnen – Jesus te amo . 

In het kielzog van de wagen ligt iets op het wegdek. Ik krabbel zo snel als ik kan overeind en stap, eenmaal weer veilig op de stoep, in de richting van het in het zonlicht glinsterende, hoopje rode smurrie in de zee van grijs. Voor mij op het wegdek ligt mijn platgereden hart, over het asfalt uitgesmeerd in de vorm van een bloederig, pulserend vraagteken.

Ik veeg de plukken haar uit mijn gezicht. In de ruit van Domino’s Pizza check ik mijn jurk en zomerjas op scheuren en vlekken. Mijn kleding lijkt intact en ook fysiek blijk ik ongedeerd. Mijn wang ziet wat rood en lichtjes geschaafd, maar voor iemand die net een bijna-doodervaring heeft gehad zie ik er nog prima uit. Good enough to go.

En dan komen mijn benen nogmaals in beweging. Ja, ze zetten het op een lopen. Op naar het Justitiepaleis. Want het is lente. De terrassen zijn weer open. De zomer is al onderweg. En er zijn pintjes genoeg.

Plaats een reactie