Hij zag het ding liggen en dacht – nee, hij dacht niets. Hij zag het ding liggen en hij wist, hij voelde de overtuiging van dat moment in zijn hele lichaam, het kwam vanuit zijn tenen en trok door zijn benen naar zijn heupbotten, zengde door zijn ruggengraat, spreidde zich uit door zenuwen, spieren, zijn bloedbaan, totdat zelfs zijn ingewanden meetrilden met de zekerheid die zijn lijf was binnengedrongen, hij wist het met al zijn cellen, ja, zelfs het kleinste atoom wist: dit is het. En er sprongen tranen in zijn ogen, ineens, zomaar. En in een reflex keek hij om zich heen, in een opwelling, in een zoektocht naar bijval, dat iemand zou beamen wat hij zojuist had gezien en geweten, wat zich daar aan hem had geopenbaard, maar zijn zo vanzelfsprekende neiging bracht hem terug naar de plaats waar hij stond, maakte hem bewust van de ruimte en zijn plaats daarin, van het moment waarin hij zich bevond, en meteen ging zijn blik – die was voortgekomen vanuit een verlangen om daar en in dat moment verbondenheid te vinden – over in schichtigheid. Hij keek gegeneerd om zich heen, zag de zestigers die in matchende windjacks van de ANWB en met fleurige brilmonturen op hun neuzen verveeld langs de kunstwerken schuifelden, en de betovering was verbroken.
Geplaatst op door Lauranne Staat
Gepubliceerd door Lauranne Staat
Ontluikend schrijfavontuur. Bekijk alle berichten van Lauranne Staat