brief aan frida k.

Gisteren schreef ik in mijn dagboek een passage die mij door de inhoud deed denken aan een brief die ik maanden geleden schreef, aan Frida Kahlo. Hoewel er al veel (ja, té veel hoor ik u denken) gezegd en geschreven is over het leven van K., deel ik de brief hier tóch in de hoop hier en daar de gebruikelijke clichés rond de kunstenaar te kunnen ontstijgen (maar oordeelt u vooral zelf).

Brussel, dinsdag 20 april 2021

Zeer waarde Frida,

(N.B. Ik schrijf hier met opzet geen ‘lieve’, niet alleen omdat ik een dergelijke familiariteit vind rieken naar onterechte toe-eigening – iets dat volgens mij al te vaak gebeurt met betrekking tot jouw persona –, maar ook omdat ik werkelijk niet zou weten of jij wel te classificeren valt onder dat label. Dat ik waarde hecht aan de dingen die jij in de wereld achterliet, en dus indirect aan jou als persoon, denk ik echter wel zeker te weten en mag hopelijk uit het vervolg van deze brief blijken.)

Laatst kwam ik al wandelend op weg naar huis terecht in een opstopping. In het epicentrum van al het tumult trof ik een man, volledig in paniek, die pardoes bovenop een minstens even radeloze vrouw gezeteld was. De vrouw lag onder hem als een hoopje ellende over het trottoir uitgesmeerd. Daaromheen: héél veel op sensatie beluste toeschouwers. 

Normaal stap ik in dit soort gevallen – na een snelle taxatie van de situatie – stevig door, er in de regel van overtuigd dat er al wel genoeg op sensatiebelust volk om het locus delict heen zwermt en mijn aanwezigheid daar niks aan heeft toe te voegen. Deze keer echter werd ik er door een van de hoofdpersonen zelf ingetrokken en bovendien leek de wanhoop zo groot, dat ik me wel degelijk geroepen voelde me te moeien in de commotie. 

De man op de stoep probeerde me, zo goed en kwaad als dat ging, duidelijk te maken dat de wild om zich heen slaande vrouw onder hem zijn suïcidale echtgenote was – waarbij het hem nog extra moeilijk werd gemaakt doordat een vrouwelijke voorbijganger de situatie blijkbaar als het uitgelezen moment beschouwde om luidkeels te gaan staan opponeren tegen de onderwerping van de vrouw door de man. (Even onder ons, Frida: soms vraag ik me serieus af wat er van het zogenaamde ‘feminisme’ geworden is.) Tussen het gekakel en de vuisten door begreep ik dat de twee, voordat ze in deze onorthodoxe positie terecht waren gekomen, op weg waren geweest naar de psychiatrie-afdeling van het ziekenhuis om de hoek. De vrouw had zich halverwege echter bedacht en plots geprobeerd weg te rennen, waarop de man zich genoodzaakt zag tot de draconische maatregel om zijn vrouw te overmeesteren en haar zodoende ‘tegen zichzelf te beschermen’. 

Terwijl we samen de komst van de politie afwachtten, kwam de vrouw – nog altijd in horizontale houding – langzaam weer een beetje tot bedaren. Met een klein stemmetje smeekte ze de zachtaardig ogende man bovenop haar om bij haar te blijven, om haar niet alleen te laten. 

Gisteren las ik je brieven, Frida. Hoewel niet aan mij gericht, las ik ze toch (zo gaat dat blijkbaar met bekende mensen: eens je de wereld een vingerkootje geeft, eigenen ze zich je hele lichaam toe en trekken ze het uit elkaar in de strijd om een stukje te bemachtigen). En, nu ik toch bezig ben dingen op te biechten: voordat ik die niet aan mij gerichte brieven las, las ik je dagboek. Jawel, ik geneer mij hiervoor wel degelijk. Hoewel je jezelf graag het onderwerp van je kunst maakte, betwijfel ik of een dergelijke mate van ‘expositie’ van je leven, de uitverkoop van al je vuile was die het is verworden, ooit jouw bedoeling is geweest.

Ik besef mij als geen ander dat wat iemand in zijn of haar dagboek optekent waarschijnlijk niet is bestemd voor pottenkijkers. Zelf ben ik tenminste altijd als de dood geweest dat men mijn dagboeken leest op de dag dat ik het loodje leg en niet meer in de buurt ben om ze daarvan te weerhouden. (Ik heb dan ook meermaals overwogen om de hele reeks in de hens te steken, maar de gedachte dat ik dat op een dag in de toekomst tóch zou betreuren, omdat ik op die dag de illusie zou hebben dat die duizend pagina’s durende, onsamenhangende klaagzang onbetaalbaar materiaal zouden bevatten voor een roman, heeft mij daar tot nog toe van weerhouden). Ik bedoel: wat voor een vreselijke vrouw zal zich aan de hand van mijn dagboeken aan de lezer opdringen? Men zal, afgaande op al de honderden, duizenden boodschappenlijstjes, to do’s en andere trivialiteiten die ik blijkbaar het documenteren waardig achtte, moeten concluderen dat ik een doodsaaie – of tenminste zwaar neurotische – figuur ben geweest. Vermoedelijk zouden ze me daarnaast nóg heel wat etiketten toedichten, zoals ze dat bij jou hebben gedaan. (Ik heb al over jou o.a. al gehoord en gelezen dat je vrijgevochten, afhankelijk, onafhankelijk, angstig, wispelturig, gepassioneerd, obsessief, genereus, manipulatief, suïcidaal, een levensgenieter, biseksueel, een mannenverslindster en een feministe was.)

Ik weet niet zeker of het lezen van jouw geheimenissen die angst in mij voedt, of juist relativeert. Mijn beeld van jou op basis van je dagboek en je brieven: een intelligente, emotioneel rijke vrouw die van achter de neergepende tekeningen en zinnen naar voren komt in al haar ongefilterde tegenstrijdigheid. Enerzijds zie ik iemand met grote ambities, met onstuimige dromen en sterke verlangens. Maar ik zie ook een vrouw met meer dan één pijnlichaam, met blinde obsessies en inderdaad een aantal grote angsten. De angst om te verliezen. De angst alleen achter te worden gelaten. De angst om niets achter te laten. 

Wel Frida, voor dat laatste hoef je niet meer bang te zijn. Ik denk dat men jouw dagboeken en brieven zo graag leest en blijft lezen omdat ze tonen dat achter de mythe, achter het artistieke genie, een mens van vlees en bloed schuilgaat. En daarmee zijn zowel je bedoelde als onbedoelde ‘zelfportretten’ een waar godsgeschenk voor wie ze mag aanschouwen. Dáárom moest ik aan het ongelukkige koppel in de straten van Brussel moest denken terwijl ik je deze brief scheef.

Mensen maken elkaar gek. Mensen drijven zichzelf en elkaar tot wanhoop en waanzin. Mensen kunnen elkaar niet loslaten. Door liefde die hen bindt, door obsessie, door angst om alleen achter te blijven, door jaloezie, pijn en wanhoop. Andere mensen kijken daar graag naar. De ellende van een ander werkt geruststellend met betrekking tot je eigen leven. Én mensen helpen elkaar. Dat óók. 

Bedankt, Frida. Houd maar een oogje op ons, daar boven. 

Lauranne

P.S. Mijn excuses voor het getekende portret. Jij deed dat zelf een stuk beter.

Plaats een reactie