verjaarringen

Onderstaande tekst schreef ik naar aanleiding van een schrijfopdracht voor het theatergezelschap waarvan ik deel uitmaak.


Morgen verjaar ik. Ik weet het – noem het morbide om op de vooravond van je verjaardag over een kerkhof te struinen. Maar hier struin ik. En in de schemer ook nog. Wat zouden de kranten koppen wanneer mijn lichaam hier morgen levenloos gevonden wordt? ‘Jonge vrouw vindt dood op het kerkhof’. Of zou men het simpelweg hebben over een vrouw en het woord jonge weglaten? Zou men spreken van ‘moord op een late twintiger’ of eerder van ‘dood van een jonge dertiger’? De woordkeuze zal wellicht afhangen van de autopsie. Al betwijfel ik of ze het tijdstip van overlijden op het uur nauwkeurig kunnen bepalen. Als ze mijn lichaam al terugvinden voor het is vergaan, natuurlijk. 

‘Je bent zo oud als je je voelt’ zegt Jordi steevast en met rollende ogen wanneer ik mezelf voor de badkamerspiegel sta te vlooien op witte haren tussen mijn donkere krullen. Hij gaat daarmee voorbij aan het feit dat mannen gemakkelijk praten hebben. Dat de maatschappij mannen en vrouwen anders behandelt wanneer het gaat over leeftijd. Het is toch algemeen bekend dat een man met het klimmen der jaren vaak alleen maar als aantrekkelijker wordt beschouwd, terwijl een vrouw met ieder accumulerend jaar een beetje aan relevantie voor de wereld inlevert? Dat naarmate het getal van haar leeftijd toeneemt, de mate van haar begeerlijkheid exponentieel afneemt? 

Vanmorgen antwoordde ik hem dat het oneerlijk was dat we mannen meer behandelen als bomen en vrouwen meer als bloemen. Hij had me aangekeken alsof ik blootvoets, in een witte jurk en met een krans madeliefjes rond mijn kruin door de kamer danste terwijl ik die woorden uitsprak. Of ik nu op m’n dertigste ineens ging beginnen met van dat feministische gedoe, had hij me gevraagd. Hij kwam naast me bij de spiegel staan en even dacht ik dat hij spijt had van die sneer en zijn excuses zou aanbieden. In een teder gebaar legde hij zijn hand op mijn wang, tot hij ineens riep: “Oei! Je begint al te barsten als boomkorst!” Hij liet daarbij zijn vingertoppen over de lijnen langs mijn ogen lopen. 

Natuurlijk werd ik kwaad. Ik weet dat het stom is en dat ik mij niet moet laten doen, maar het raakt me. Het idee dat ik met elke dag aan schoonheid verlies, knaagt aan me als een marmot aan een oude jas. De gedachte dat mijn bloeitijd al achter me ligt en dat vanaf nu iedere dag een beetje sap uit mijn blaadjes zal wegtrekken, dat verteert me ook van binnen. Dat ik op een dag in de niet zo verre toekomst niet langer de bloem zal zijn, maar het vrouwtje achter de geraniums. Had ik me dat als bloemknopje beseft, dan had ik meer uit mijn bloei proberen halen. Maar daarvoor is het nu, op de vooravond van mijn dertigste verjaardag, voorgoed te laat.

Het grindpad waarover ik tussen de graven door wandel knispert onder mijn voeten. Terwijl ik driftig de steentjes wegschop, voel ik mij weer het kind van twaalf dat kwaad uit huis is weggestoven na een of andere streek van mijn grote broer. Mijn broer die altijd overal mee weg kwam, omdat jongens nu eenmaal kattenkwaad uithalen. En ik die werd teruggefloten, omdat meisjes zich keurig horen te gedragen

Ik begin steeds sneller te stappen, tot mijn aandacht wordt getrokken door een groot gevaarte van zwart marmer, dat zich naast het grindpad als een vermoeide catamaran de weelderige vegetatie in laat glijden. Een dubbelgraf. Twee liggende, zwarte, glanzende steenplaten van gelijke grootte liggen zwijgend naast elkaar. Een rechtopstaande steen verbindt aan het hoofdeinde de twee ‘bedden’ aan elkaar. Tussen de kieren van de stenen piepen kleine, groene plantjes omhoog, lonkend naar het licht. Naast het graf staat reusachtige eik, die zijn stevige armen beschermend boven de slapenden uitspreidt. 

Niet alleen is het niet eerlijk, het is toch eigenlijk ook belachelijk. Waarom zou hij met iedere jaarring die aan zijn stam wordt toegevoegd méér grandeur krijgen toegedicht, terwijl ik vanaf nu alleen nog maar onherroepelijk zal kunnen verwelken? Wel nu, het wordt tijd dat ik me op dit eigenlijkste moment wat meer als een boom begin te gedragen. Misschien ben je tenslotte niet alleen zo oud als je jezelf voelt, maar ben je ook wat je je voelt. 

Als ik een boom wil worden, dan moet ik mij niet zomaar onder welke willekeurige voet dan ook laten vertrappen. Nee! Mijn rug zal recht staan en mijn huid dik zijn. Mijn hoofd geheven. Die grijze haren die uit mijn kruin barsten zal ik beschouwen als de majesteitelijke takken die krachtig en ontembaar verrijzen uit mijn stam. Niets ‘nagels aan mijn doodskist’ – ‘diamanten op mijn kroon’ zal je bedoelen! Iedere barst in mijn korst, iedere jaarring zal ik met trots en waardigheid dragen. Klimop zal zich aan mij optrekken en jong ontsproten telgen zullen zich nestelen in de luwte van mijn brede stronk. Ik zal voeding en bescherming bieden voor wie dat nodig heeft. Ik zal een plaats zijn om te schuilen. En met de tijd groei ik dichter naar het licht.

Vanaf de grond zal iedereen met ontzag omhoog kijken. 

Een gedachte over “verjaarringen”

  1. >>Het is toch algemeen bekend dat een man met het klimmen der jaren vaak alleen maar als aantrekkelijker wordt beschouwd, terwijl een vrouw met ieder accumulerend jaar een beetje aan relevantie voor de wereld inlevert?<>Dat naarmate het getal van haar leeftijd toeneemt, de mate van haar begeerlijkheid exponentieel afneemt? <>Het idee dat ik met elke dag aan schoonheid verlies, knaagt aan me als een marmot aan een oude jas.<<
    Wees gerust, eens zul je weer volmaakt zijn!

    Maar erg goed en leesbaar geschreven.
    We kijken – met ontzag- naar .uw epistel 🙂

    Like

Plaats een reactie