de patriarch staat in zijn bos
zolang hij de wind door de takken hoort ruisen
de beek kan horen kabbelen
stelt hij zichzelf gerust
we wandelen tussen de besneeuwde dennen hij laat zien
waar een jonge reebok sliep wijst waar de wilde zwijnen
voorbij stormden om alles te vertrappen hun grove poten
sporen achterlieten in het maagdelijk wit
hij windt zich op
ik hoor het aan de wijze waarop hij zijn hond insnoert
zijn stem geknepen
maar >> jú-jú! <<
ze blijft hem ontglippen
ook struikelt hij steeds vaker
en alsmaar is het de schuld van iets
dat in de weg ligt
hem van het pad afleidt
ik zie het in de manier waarop hij zijn achterhoofd aanraakt
wanneer hij denkt dat ik niet kijk
zijn ogen wild in het rond schieten
totdat hij plots bevriest en zegt
>> we zijn niet op de juiste weg <<
ik wilde dat al zeggen
toen we de land rover uitstapten
of was het al eerder misschien
toen hij de jachtsalon liet zien
toen hij het vuur zo hoffelijk voor me aanmaakte
of toen hij toonde tot waar het water
kwam alsof hij moest bewijzen
hoe stevig het kasteel
ik wilde het al zeggen
voordat hij de poort voor me opende
de brug neerliet
en ik erover stapte
nu staan we hier
dadelijk valt het duister