Afgelopen zaterdag volgde ik tijdens de ‘Schrijfdag’ van Creatief Schrijven een workshop Portretschrijven. Over één van mijn medecursisten schreef ik onderstaande tekst.
Het valt op: het effen, blauwgroene Hema t-shirt tegen de effen, blauwgroene wand. De helderblauwe glazen lamp dansend in de witruimte boven zijn hoofd als een derde oog. De glazen van zijn bril vormen een ononderbroken patroon met de rechthoekige vakken van de wandhoge, goed benutte boekenkast. Het korte, zilvergrijze haar, dat doet denken aan de op het gras gespoten lijnen van een voetbalveld, lijkt met iedere tik van de wijzer meer de kleur van een Ikea-klok die achter hem tegen de wand is geplakt aan te nemen. Ik moet denken aan een boekje dat ik laatst las: Bluets heette het. Hij is niet geschoren. De witte vlekken in zijn lapjeskatachtige driedagenbaardje weergalmen wat de lijnen in zijn nek en de kleine rimpeltjes onder zijn ogen – uitvergroot door het brillenglas – doen vermoeden. Maar wanneer hij praat over poëzie, krijgt hij iets van een schooljongen die op het punt staat iets ondeugends te doen. Dan fonkelen zijn ogen, alsof het licht dat via het venster achter hem de kamer binnenvalt dwars door hem heen schijnt. Wanneer hij glimlacht, trekt hij zijn mond een beetje schuin en in aan weerszijden van de gebogen lijn verschijnen kuiltjes in zijn wangen. Alsof het deksel van de put wordt opgelicht waardoor je heel even naar binnen kunt kijken.
het deksel van een put? beetje onwelriekende vergelijking 🙂
LikeLike